ECLI:NL:RVS:2017:1279
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C. Kranenburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake handhavingsverzoek tegen Martinair wegens bevoegdheidsgebrek staatssecretaris
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg die zijn beroep niet-ontvankelijk verklaarde inzake het handhavingsverzoek tegen Martinair wegens het niet naleven van Verordening (EG) nr. 261/2004 over passagierscompensatie.
De staatssecretaris had het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen Martinair afgewezen, stellende dat handhaving onredelijk was vanwege onduidelijkheid over de toepassing van de Verordening ten tijde van de vlucht. De rechtbank oordeelde dat appellant geen belang had bij beoordeling vanwege verval van het recht op compensatie.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard en stelt dat appellant wel belang heeft bij beoordeling. De Afdeling bevestigt dat de staatssecretaris niet bevoegd is om in individuele gevallen handhavend op te treden om compensatie af te dwingen. Het besluit van 26 juni 2012 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Verzoeken om schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit en overschrijding redelijke termijn worden afgewezen. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het besluit van 26 juni 2012 is vernietigd wegens onbevoegdheid van de staatssecretaris, met in stand blijvende rechtsgevolgen en afwijzing van schadevergoedingsverzoeken.