ECLI:NL:RBMNE:2017:1183
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid staatssecretaris tot handhaving compensatie luchtvaartmaatschappijen niet vastgesteld
Eisers verzochten de staatssecretaris om handhavend op te treden tegen verschillende luchtvaartmaatschappijen wegens het niet betalen van compensatie voor vertraagde of geannuleerde vluchten op grond van Verordening EG 261/2004. De staatssecretaris wees deze verzoeken af wegens onbevoegdheid en verklaarde de bezwaren ongegrond. Eisers stelden beroep in tegen deze besluiten.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 17 maart 2016, waarin is vastgesteld dat de aangewezen nationale instantie niet verplicht is om in individuele gevallen handhavend op te treden. De rechtbank volgt deze lijn en oordeelt dat de staatssecretaris niet bevoegd is om op de individuele verzoeken van eisers te beslissen.
Eisers voerden aan dat de ABRvS de prejudiciële procedure misbruikte en dat het bestuursrechtelijk traject naast het civielrechtelijk traject moet kunnen bestaan. Ook stelden zij dat het arrest van het HvJEU onduidelijk is over de afbakening tussen individuele en niet-individuele handhaving. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen en wijst de beroepen ongegrond. Er is geen proceskostenveroordeling of schadevergoeding toegewezen.
Uitkomst: De beroepen van eisers worden ongegrond verklaard omdat de staatssecretaris niet bevoegd is om handhavend op te treden tegen individuele compensatieclaims.