ECLI:NL:RVS:2017:404
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid staatssecretaris tot handhaving compensatieverplichting luchtvaartmaatschappij
In deze zaak heeft appellante verzocht om handhavend optreden van de staatssecretaris tegen Malaysia Airlines wegens het niet betalen van compensatie na een vertraagde vlucht. De staatssecretaris wees het verzoek af omdat het meer dan een jaar na de vlucht was ingediend. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen vanwege de belemmerde verweerpositie van de luchtvaartmaatschappij.
In hoger beroep werd de vraag gesteld of de staatssecretaris bevoegd is om op verzoek van individuele passagiers handhavend op te treden om compensatie af te dwingen. De Afdeling bevestigde haar eerdere jurisprudentie dat de staatssecretaris niet bevoegd is om in individuele gevallen handhavend op te treden om compensatie af te dwingen volgens Verordening 261/2004. Dit is een civielrechtelijke vordering tussen passagier en luchtvaartmaatschappij.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris voor zover het verzoek om handhaving werd afgewezen, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. De incidenteel hoger beroepen van Malaysia Airlines en de staatssecretaris werden niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De staatssecretaris is niet bevoegd om op verzoek van individuele passagiers handhavend op te treden om compensatie af te dwingen; het hoger beroep is gegrond en het besluit van 9 juni 2011 wordt vernietigd voor zover het verzoek om handhaving is afgewezen.