ECLI:NL:RVS:2017:659
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering toeslagen wegens onjuiste inkomensvaststelling
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant die het beroep ongegrond verklaarde tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen. De dienst had de zorg- en huurtoeslag over 2014 definitief vastgesteld op respectievelijk € 567 en nihil, en te veel betaalde voorschotten teruggevorderd.
De kern van het geschil is de vraag of een betaling van € 837,31 aan opgebouwde reserveringen voor kort verzuim, vakantiebijslag en vakantiedagen, die na het dienstverband werd uitbetaald, als een nabetaling van inkomsten moet worden aangemerkt en daardoor buiten het toetsingsinkomen voor de huurtoeslag kan blijven. De rechtbank oordeelde dat dit niet het geval was, maar de Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat deze betaling wel als nabetaling moet worden beschouwd en derhalve het toetsingsinkomen met dit bedrag verlaagd moet worden.
Desondanks leidt deze correctie niet tot een ander besluit, omdat het inkomen nog steeds net boven de inkomensgrens voor huurtoeslag ligt. Verder is geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen geen discretionaire bevoegdheid heeft om af te zien van terugvordering, ook al voelt dit onrechtvaardig. Wel kan de appellant een betalingsregeling aanvragen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen, maar handhaaft de rechtsgevolgen van het besluit. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot terugvordering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.