ECLI:NL:RVS:2019:180
Raad van State
- Hoger beroep
- A.W.M. Bijloos
- J.J. van Eck
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling voorschot kindgebonden budget ondanks bijzondere omstandigheden alleenstaande ouder
De zaak betreft het hoger beroep van een alleenstaande ouder die, vanwege haar gehuwde staat, geen recht kreeg op de alleenstaande ouderkop (ALO-kop) in het kindgebonden budget, hoewel zij gedurende een lange periode alleen voor haar kinderen zorgde. De Belastingdienst/Toeslagen had het voorschot kindgebonden budget over 2016 en 2017 herzien en lager vastgesteld op grond van het partnerbegrip in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
De rechtbank had het bezwaar tegen het besluit van de Belastingdienst ongegrond verklaard, maar het motiveringsgebrek in het besluit van 21 november 2017 leidde tot vernietiging van dat besluit met in stand laten van de rechtsgevolgen. In hoger beroep stelde de appellant dat het niet toekennen van de ALO-kop in strijd was met artikel 14 EVRM Pro (verbod op discriminatie), artikel 8 EVRM Pro (recht op gezinsleven), het Eerste Protocol bij het EVRM (eigendom), en het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
De Afdeling overwoog dat het partnerbegrip in de Awir objectief wordt vastgesteld aan de hand van gegevens uit de Basisregistratie personen en dat het gehuwd zijn van appellant leidde tot de kwalificatie als partner, ook al verbleef haar echtgenoot tijdelijk in het buitenland. De Afdeling oordeelde dat geen sprake was van ongerechtvaardigd onderscheid of disproportionele inbreuk op rechten. Ook werd erkend dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze regeling en dat compensatie voor de groep ouders in bijzondere omstandigheden mogelijk is via lokale maatwerkvoorzieningen zoals bijzondere bijstand. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere vaststelling van het voorschot kindgebonden budget bevestigd.