ECLI:NL:RVS:2018:2491
Raad van State
- Hoger beroep
- A.W.M. Bijloos
- J.Th. Drop
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderopvangtoeslag wegens verblijf partner buiten Nederland
Appellante maakte in 2014 gebruik van buitenschoolse opvang voor haar twee dochters en ontving daarvoor voorschotten kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst stelde definitief vast dat zij geen recht had op kinderopvangtoeslag over 2014 omdat haar echtgenoot in dat jaar in Egypte verbleef en niet voldeed aan de woon- en werkvereisten van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp).
Appellante voerde aan dat zij feitelijk een alleenstaande ouder was, voltijds werkte en dat het besluit haar onevenredig zou treffen, mede gelet op artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelden echter dat de wettelijke bepalingen dwingend zijn en dat geen ruimte bestaat voor belangenafweging of afwijking. De terugvordering van teveel betaalde voorschotten was eveneens terecht.
De Afdeling overwoog dat het besluit geen onrechtmatige inmenging vormt in het privé- en gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro, en dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het stellen van voorwaarden voor toeslagen. De Afdeling wees het beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd gewezen op de mogelijkheid voor appellante om betalingsregelingen te treffen met de Belastingdienst.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van kinderopvangtoeslag over 2014 wordt bevestigd.