ECLI:NL:RVS:2018:2816
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit vreemdelingen
Op 11 juli 2018 dienden vreemdelingen een verzoek in bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag tot het treffen van een voorlopige voorziening om hun uitzetting te voorkomen. Dit verzoek werd door de griffier doorgezonden aan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die het verzoek op 13 augustus 2018 behandelde.
De vreemdelingen vorderden dat de voorgenomen uitzetting zou worden opgeschort totdat de rechtbank had beslist op hun beroep tegen het besluit van 10 juli 2018, waarin de staatssecretaris het bezwaar tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ongegrond verklaarde. De voorzieningenrechter oordeelde dat hij bevoegd was het verzoek te behandelen, omdat het verzoek was ingediend ter voorkoming van uitzetting en de Afdeling bestuursrechtspraak exclusief bevoegd is in dergelijke asielprocedures.
De vreemdelingen verzochten tevens om de zitting achter gesloten deuren te laten plaatsvinden, hetgeen werd afgewezen. De staatssecretaris had de aanvragen om een verblijfsvergunning asiel op 31 mei 2018 afgewezen en dit besluit was inmiddels in rechte onherroepelijk. De voorzieningenrechter concludeerde dat het beroep van de vreemdelingen tegen het besluit van 10 juli 2018 niet kon leiden tot opschorting van de uitzetting zolang het beroep niet was beslist. Daarom wees hij het verzoek tot voorlopige voorziening af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 24 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter N. Verheij.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de uitzetting van de vreemdelingen wordt afgewezen.