ECLI:NL:RVS:2018:2936
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vaststelling beëindiging rechtmatig verblijf en toepassing artikel 6 Besluit nr. 1/80 bij Turkse gemeenschapsonderdaan
De vreemdeling, een Turkse gemeenschapsonderdaan, verbleef sinds 2008 in Nederland en werkte vanaf 2011 bij twee werkgevers. De staatssecretaris stelde vast dat haar rechtmatig verblijf was geëindigd per 2 januari 2012, omdat haar partner naar Duitsland was vertrokken. De vreemdeling had een aanvraag tot wijziging van verblijfsrecht afgewezen gekregen.
De rechtbank oordeelde dat de vreemdeling op grond van artikel 6 van Pro Besluit nr. 1/80 recht had op verlenging van haar verblijfsrecht vanwege een jaar legale arbeid, maar vernietigde het besluit van afwijzing. De staatssecretaris ging in hoger beroep en voerde aan dat het verblijfsrecht van rechtswege was geëindigd en dat de vreemdeling geen rechten had opgebouwd.
De Raad van State overwoog dat het arrest Unal van het Hof van Justitie leidend is voor de opbouw van rechten en dat de vreemdeling bij aanvang van haar werkzaamheden legaal verbleef en niet frauduleus handelde. De Raad bevestigde dat de vreemdeling een jaar legale arbeid had verricht bij de eerste werkgever, maar dat de opbouw van rechten werd onderbroken door de wisseling van werkgever, waardoor zij geen recht had op verlenging op grond van artikel 6 bij Pro de tweede werkgever.
De Raad vernietigde het besluit van 22 augustus 2016, handhaafde de afwijzing van de aanvraag, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het besluit van 22 augustus 2016 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.