ECLI:NL:RVS:2018:3120
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A. Hagen
- N. Verheij
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep tegen afwijzing tegemoetkoming planschade tijdelijke waterberging Leusden
In deze zaak hebben vier appellanten bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leusden om hun verzoeken om tegemoetkoming in planschade af te wijzen. De planschade zou zijn veroorzaakt door het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009' waarin hun gronden de dubbelbestemming 'Tijdelijke waterberging' kregen. De Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) adviseerde dat er geen causaal verband was tussen het bestemmingsplan en waardevermindering, mede omdat de gronden al eerder als waterberging waren aangewezen.
De rechtbank oordeelde dat artikel 7.16 van de Waterwet niet van toepassing was en dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom het normaal maatschappelijk risico op 2% werd gesteld. Het college kreeg gelegenheid de besluiten te herzien, maar handhaafde de afwijzing. De SAOZ stelde het normaal maatschappelijk risico bij directe planschade op 3% en bij indirecte planschade op 2%, waarbij de waardevermindering lager was dan deze drempels.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is en dat het college terecht heeft afgegaan op de adviezen van de SAOZ en de taxatierapporten. Het beroep op volledige schadevergoeding wegens het normaal maatschappelijk risico faalt, evenals het betoog dat het risico bij indirecte schade lager dan 2% moet zijn. De Afdeling veroordeelt het college tot een vergoeding van € 1.000,00 aan elke appellant wegens overschrijding van de redelijke termijn. De beroepen worden ongegrond verklaard en de eerdere uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De hoger beroepen zijn ongegrond verklaard en de besluiten van het college tot afwijzing van de tegemoetkoming in planschade zijn bevestigd.