ECLI:NL:RVS:2018:3589
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid inreisverbod en vreemdelingenbewaring na hoger beroep
Bij besluit van 1 april 2018 vaardigde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een inreisverbod uit tegen de vreemdeling en stelde hem in vreemdelingenbewaring. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het inreisverbod, beval opheffing van de bewaring en kende schadevergoeding toe.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak onderzocht of de rechtbank terecht de zakelijke belangen van de vreemdeling in België had betrokken, terwijl deze belangen pas in hoger beroep waren aangevoerd en niet tijdens het voorafgaande gehoor. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank dit toetsingskader niet juist had toegepast en dat het inreisverbod terecht was uitgevaardigd en gemotiveerd.
De Afdeling vernietigde daarom het deel van het vonnis dat het inreisverbod vernietigde en verklaarde het beroep tegen het inreisverbod ongegrond. Het overige deel van de uitspraak van de rechtbank, waaronder de opheffing van de vreemdelingenbewaring en de schadevergoeding, werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het overige vonnis bevestigd.