ECLI:NL:RVS:2018:3728
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- H.G. Lubberdink
- J.W. van de Gronden
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluiten wegens onterecht opgelegde bestuurlijke boetes voor toeristische verhuur zonder vergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellanten bestuurlijke boetes op wegens het zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning door verhuur aan toeristen. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond en handhaafde de boetes. Appellanten stelden in hoger beroep dat zij wel degelijk hun hoofdverblijf op de betreffende adressen hadden gehouden en dat het college onvoldoende bewijs had geleverd van het tegendeel.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college niet had aangetoond dat appellanten ten tijde van de verhuur geen hoofdverblijf op hun brp-adressen hielden. De rapporten van bevindingen waren onvoldoende omdat toezichthouders niet actief hadden gezocht naar persoonlijke spullen en de verklaringen van toeristen geen sluitend bewijs vormden. De intentie om samen te gaan wonen was niet bepalend voor het hoofdverblijf in de relevante periode.
Op grond hiervan vernietigde de Afdeling de uitspraak van de rechtbank en de boetebesluiten van het college. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak treedt in de plaats van de vernietigde besluiten.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en de boetebesluiten zijn vernietigd wegens onvoldoende bewijs van het ontbreken van hoofdverblijf.