ECLI:NL:RBDHA:2021:1762
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging nadere dwangsom
Eiser stelde verweerder in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 5 februari 2019. Na een eerdere gegrondverklaring van het beroep en een daaropvolgend gegrond verklaard verzet, werd de zaak opnieuw inhoudelijk behandeld. De rechtbank constateerde dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden heeft beslist en dat de overmachtssituatie door de coronapandemie pas na het verstrijken van deze termijn is ingetreden, waardoor deze de beslistermijn niet opschortte.
De rechtbank stelde vast dat het beroep ontvankelijk en gegrond is en legde een dwangsom van € 1.442,- vast. Daarnaast werd verweerder opgedragen binnen twee weken na de uitspraak een eerste gehoor te houden en binnen acht weken daarna een besluit te nemen, met een aanvullende termijn van tien weken indien de aanvraag overgaat naar de verlengde procedure. Voor het niet naleven van deze termijnen werd een nadere dwangsom van € 200,- per dag met een maximum van € 15.000,- opgelegd.
Verweerder werd verweten de aanvraag te hebben vertraagd door de uitkomst van een verwante asielprocedure af te wachten en niet tijdig te starten met de behandeling. Het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure werd afgewezen, omdat de redelijke termijn nog niet was verstreken en de bestuursrechter niet bevoegd is om schadevergoeding toe te kennen voor handelen van de rechter.
Tot slot werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van € 801,-. De uitspraak benadrukt het belang van een voortvarende en zorgvuldige behandeling van asielaanvragen, zeker voor alleenstaande minderjarige asielzoekers.
Uitkomst: Beroep gegrond verklaard, dwangsom opgelegd en verweerder opgedragen binnen gestelde termijnen te beslissen op asielaanvraag.