ECLI:NL:RVS:2018:3993
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking vergoeding rechtsbijstand bij samenhangende asielprocedures
De zaak betreft het hoger beroep van een advocaat tegen de intrekking en herziening van vergoedingen voor verleende rechtsbijstand in asielprocedures van een gezin. De Raad voor Rechtsbijstand had na een steekproefcontrole geoordeeld dat de procedures verknocht waren en daarom de vergoedingen ingetrokken of aangepast.
De rechtbank had geoordeeld dat sprake was van samenhangende procedures omdat het gezin gezamenlijk was gevlucht vanwege een gedeelde grondslag, ondanks dat de meerderjarige kinderen afzonderlijke motieven hadden. De Raad van State bevestigt deze beoordeling en oordeelt dat de procedures naar hun aard verknocht zijn en nagenoeg gelijktijdig werden behandeld.
De advocaat voerde aan dat de procedures fundamenteel van elkaar verschillen en dat het beleid inzake toevoegingen anders is dan dat voor vergoeding, maar de Raad van State wijst dit af. Het beleid voor het verlenen van toevoegingen wijkt af van dat voor de vaststelling van vergoedingen achteraf, zoals bij het High Trust-programma gebruikelijk is.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeert dat de Raad voor Rechtsbijstand terecht de vergoedingen heeft ingetrokken en herzien conform artikel 11 van Pro het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking en herziening van de vergoeding voor rechtsbijstand bevestigd.