ECLI:NL:RVS:2018:4299
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- E. Steendijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens medische situatie minderjarig kind
De vreemdeling en haar minderjarige dochter uit Georgië vroegen een verblijfsvergunning asiel aan. De aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen, mede op basis van een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) dat de medische noodsituatie van het kind niet aannam.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, omdat de staatssecretaris niet voldoende had voldaan aan zijn vergewisplicht omtrent het BMA-advies, met name inzake toxische stress zoals beschreven in een medisch artikel. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft betoogd dat het BMA-advies conform het geldende beleid is opgesteld, waarbij de medische noodsituatie zich richt op ernstige schade binnen drie maanden. De aanvullende parameters uit het artikel hebben betrekking op effecten op langere termijn en zijn niet relevant voor de beoordeling onder artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000.
De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de zaak terug aan de rechtbank voor een nieuwe behandeling en beslissing met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling.