ECLI:NL:RVS:2018:4299

Raad van State

Datum uitspraak
21 december 2018
Publicatiedatum
27 december 2018
Zaaknummer
201706495/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
  • E. Steendijk
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 3:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:54 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:115 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens medische situatie minderjarig kind

De vreemdeling en haar minderjarige dochter uit Georgië vroegen een verblijfsvergunning asiel aan. De aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen, mede op basis van een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) dat de medische noodsituatie van het kind niet aannam.

De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, omdat de staatssecretaris niet voldoende had voldaan aan zijn vergewisplicht omtrent het BMA-advies, met name inzake toxische stress zoals beschreven in een medisch artikel. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft betoogd dat het BMA-advies conform het geldende beleid is opgesteld, waarbij de medische noodsituatie zich richt op ernstige schade binnen drie maanden. De aanvullende parameters uit het artikel hebben betrekking op effecten op langere termijn en zijn niet relevant voor de beoordeling onder artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000.

De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de zaak terug aan de rechtbank voor een nieuwe behandeling en beslissing met inachtneming van deze overwegingen.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling.

Uitspraak

201706495.1/V2.

Datum uitspraak: 21 december 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 19 juli 2017 in zaak nr. 17/1773 in het geding tussen:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind,
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 27 december 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en ambtshalve geweigerd haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) uitstel van vertrek te verlenen.
Bij uitspraak van 19 juli 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Pals, advocaat te Arnhem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De vreemdeling en haar dochter, geboren op [2011], zijn afkomstig uit Georgië. De vreemdeling heeft, voor zover hier van belang, de medische klachten van haar dochter aan hun asielaanvraag ten grondslag gelegd. Zij heeft ter onderbouwing daarvan onder meer verwezen naar het artikel "Psychische beoordeling asielzoekerskind deugt niet", geschreven door onder anderen artsen van Stichting Centrum '45 (hierna: Centrum '45) uit Medisch Contact, nr. 50 van december 2015 (hierna: het artikel uit Medisch Contact).
2. Het artikel gaat over de bruikbaarheid van de beoordelingscriteria van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) ter vaststelling van een medisch-psychiatrische noodsituatie bij kinderen in de leeftijd van de dochter van de vreemdeling. De inhoud van dit artikel komt overeen met die van de brief van 24 juli 2014 van kinderpsychiaters en -psychologen, grotendeels verbonden aan Centrum '45 (hierna: de brief van Centrum '45). Zoals de Afdeling heeft overwogen bevat de brief van Centrum '45 een medisch oordeel dat ter nadere reactie aan het BMA dient te worden voorgelegd (zie de uitspraken van 21 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2422, en 25 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:579).
3. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 27 december 2016 gebaseerd op het advies van het BMA van 19 augustus 2016 (hierna: het BMA-advies). In navolging van de uitspraken van 21 juli 2015 en 25 februari 2016 heeft de staatssecretaris ook in deze zaak het BMA om een nadere reactie op het artikel uit Medisch Contact gevraagd. In de aanvullende nota van 13 december 2016 (hierna: de BMA-nota) doet het BMA dit.
3.1.
De rechtbank heeft het betoog van de vreemdeling dat terugkeer naar Georgië wegens de medische situatie van haar dochter zal leiden tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM, behandeld bij de vraag of uitzetting krachtens artikel 64 van Pro de Vw 2000 en het in dat kader gevoerde beleid, achterwege moet blijven (zie de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1733).
3.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0794) moet de staatssecretaris, als hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich ingevolge artikel 3:2 van Pro de Awb ervan vergewissen dat dit - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is (zie onder meer de uitspraak van 5 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2709).
3.3.
De rechtbank heeft overwogen dat aan deze vergewisplicht niet is voldaan, omdat in de nadere reactie in de BMA-nota niet wordt ingegaan op wat in het artikel uit Medisch Contact is gesteld over toxische stress. Dit had wel gemoeten, volgens de rechtbank, omdat de in het artikel beschreven potentiële lichamelijke en geestelijke schade zich mogelijk ook op de korte termijn kan voordoen. In dat geval kan er sprake zijn van een medische noodsituatie.
4. De staatssecretaris betoogt in zijn grieven dat in de BMA-nota wel deugdelijk gemotiveerd is ingegaan op wat in het artikel uit Medisch Contact is gesteld over de wijze waarop de medisch-psychiatrische noodsituatie bij kinderen moet worden beoordeeld. De in dat artikel door de artsen van Centrum '45 voorgestelde aanvullende indicatoren voor deze beoordeling zijn volgens hem een uitbreiding van het in het kader van artikel 64 van Pro de Vw 2000 gevoerde beleid. Omdat het BMA zich echter aan dit beleid heeft te houden, gaat de medische noodsituatie alleen over ernstige geestelijke of lichamelijke schade, ontstaan bij het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden. De staatssecretaris wijst hierbij ook op het Protocol Bureau Medische Advisering 2010 (hierna: het Protocol), waarin de operationele definitie van het begrip medische noodsituatie is uitgewerkt (www.ind.nl) en naar een algemene reactie van het BMA van augustus 2016, waarin het BMA ook een nadere reactie geeft op de brief van Centrum '45 van 24 juli 2014 en het artikel uit Medisch Contact.
Omdat toxische stress, zoals bedoeld in het artikel uit Medisch Contact en dus ook in de brief van Centrum '45, ontstaat bij verhoogde stress over een langdurige periode, kan dit niet gaan over een effect van het uitblijven van behandeling binnen korte termijn, zoals aan de orde bij medische nood. Daarom is in de nadere reactie niet ingegaan op de effecten van toxische stress, aldus de staatssecretaris.
4.1.
In het artikel uit Medisch Contact staat dat bij de beoordeling van de vraag of het uitblijven van behandeling zal leiden tot een medisch-psychiatrische noodsituatie bij asielzoekerskinderen, de door het BMA gehanteerde parameters (suïcidaliteit, psychose en (gedwongen) opname) uit het Protocol niet voldoende zijn, wegens de kindeigen pathologie en kwetsbaarheden. Daarom wordt aanbevolen om deze aan te vullen en een andere termijn dan drie maanden te hanteren. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, doelen zij daarbij dus juist niet op gevolgen op de korte termijn. Gewezen wordt op neurobiologisch onderzoek, waaruit blijkt dat voortdurende verhoogde stress bij kinderen, die niet gereguleerd wordt door goed genoeg ouderschap, op termijn kan leiden tot toxische stress met blijvende veranderingen in de hersenstructuren met levenslange negatieve fysieke en psychische consequenties. Voorgesteld wordt daarom in het artikel om als parameters toe te voegen toxische stress, externe stress door leefomstandigheden en ouderschapscompetenties, zodat sprake kan zijn van een zorgvuldige, individuele, op het kind gerichte medische advisering.
4.2.
In de BMA-nota wordt benadrukt dat de omschrijving van medische noodsituatie in de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) niet zodanig is dat zij specifiek bestemd is voor volwassenen. Hoewel suïcide, psychose en gedwongen opname bij kinderen inderdaad weinig of niet voorkomen, wordt daaruit niet afgeleid dat bij kinderen als vanzelf (vrijwel) geen sprake kan zijn van een medische noodsituatie. Bij de beoordeling wordt namelijk in alle gevallen, en dus ook bij kinderen in de leeftijd van de dochter, het geheel aan beschreven klachten en symptomen behorend bij het ziektebeeld, en het beloop gedurende de behandeling (eventuele crisissituaties, dan wel levensbedreigende incidenten anders dan psychose en suïcidepoging, gedurende de behandeling of in de voorgeschiedenis) meegewogen, zo wordt beschreven in de BMA-nota.
4.3.
Op deze wijze is, zoals de staatssecretaris terecht betoogt, in de BMA-nota gemotiveerd ingegaan op de in het artikel uit Medisch Contact genoemde bezwaren tegen de parameters uit het Protocol. Immers, aan de hand van kritiek uit het artikel uit Medisch Contact op de parameters is besproken dat en op welke wijze omstandigheden worden betrokken bij de beoordeling. Hieruit valt, zoals de staatssecretaris eveneens terecht betoogt, inderdaad af te leiden dat volgens het BMA uitbreiding van de parameters niet nodig is. In de BMA-nota is immers beschreven dat de parameters niet uitputtend zijn bedoeld en niet als zodanig worden behandeld bij de beoordeling.
Voorts hebben de in het artikel van Medisch Contact voorgestelde, aanvullende parameters, zoals de staatssecretaris eveneens onder verwijzing naar de wijze van beoordelen zoals beschreven in de stukken van het BMA stelt, geen betrekking op gevolgen op de korte termijn. Daarbij merkt de staatssecretaris terecht op dat in het artikel uit Medisch Contact in dit verband wordt voorgesteld om bij de beoordeling of sprake is van een medisch-psychiatrische noodsituatie bij een asielzoekerskind van een langere termijn dan de in paragraaf A3/7 van de Vc 2000 genoemde termijn van drie maanden uit te gaan. Voor het aannemen van een medische noodsituatie moet echter naar huidige wetenschappelijke inzichten vaststaan dat binnen deze termijn een medische noodsituatie zal intreden. Een langere termijn past niet bij de beoordeling krachtens artikel 64 van Pro de Vw 2000 en het in dat kader gevoerde beleid, waarbij het immers uitdrukkelijk gaat om de korte termijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2629, over het arrest Paposhvili). Dit biedt aldus voor het BMA geen ruimte voor uitbreiding van de beoordelingstermijn op een wijze die in het artikel uit Medisch Contact wordt voorgesteld.
Dat, zoals de rechtbank terecht overweegt, in het BMA-nota niet expliciet wordt ingegaan op toxische stress, past dus bij de beoordeling krachtens artikel 64 van Pro de Vw 2000 en het in dat kader gevoerde beleid. De staatssecretaris merkt terecht op dat in het artikel uit Medisch Contact alleen de effecten van toxische stress op langere termijn worden beschreven. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris in zoverre door zich op de stukken van het BMA te baseren, zonder dat daarin expliciet is ingegaan op de gevolgen van toxische stress, in strijd met de vergewisplicht heeft gehandeld.
5. De grieven slagen.
6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Wat de staatssecretaris voor het overige aanvoert, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak krachtens artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 19 juli 2017 in zaak nr. 17/1773;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Verheij w.g. Bossmann
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2018
314-596.