ECLI:NL:RVS:2019:2797
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens ontbrekende fysieke handtekening bij Wbp-verzoek
Appellant verzocht bij het college om inzage in zijn persoonsgegevens op grond van artikel 35 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Het college weigerde inzage in verband met een eerder Wob-verzoek en verklaarde het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een fysieke handtekening op het bezwaarschrift en de machtiging die door zijn gemachtigde was ingediend.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht twijfel had over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde, omdat de handtekening op de machtiging een ingescande kopie leek te zijn die ‘geknipt en geplakt’ was, en dat appellant niet had voldaan aan het herstelverzoek om een fysiek ondertekend bezwaarschrift en machtiging te overleggen.
In hoger beroep betoogde appellant dat een digitale handtekening volstaat en dat de secretaris niet bevoegd was om het verzuim vast te stellen en hersteltermijn te stellen. De Afdeling oordeelde dat het college geen misbruik van recht had gemaakt, dat een fysieke handtekening vereist is volgens artikel 6:5 Awb Pro, en dat de bevoegdheid van de voorzitter van de commissie bezwaarschriften, gemandateerd aan de secretaris, correct was toegepast.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het college mocht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren wegens het niet herstellen van het verzuim binnen de gestelde termijn.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een fysieke handtekening op het bezwaarschrift en de machtiging.