ECLI:NL:RVS:2019:3486
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving en dwangsombeschikking voor illegale bouwwerken op agrarisch perceel
Het college van burgemeester en wethouders van Buren legde aan appellant dwangsommen op voor het verwijderen van illegale bouwwerken en opslag op een perceel met agrarische bestemming zonder bouwvlak. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze last onder dwangsom ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de verdiepingsvloer niet vergunningplichtig was en dat er concreet zicht op legalisering bestond, maar deze bezwaren werden verworpen omdat de draagconstructie was gewijzigd en het college niet bereid was medewerking te verlenen aan vergunningverlening.
Verder betoogde appellant dat de last onder dwangsom te verstrekkend was en dat er geen noodzaak tot verwijdering was vanuit milieu- en natuurbescherming, maar de Afdeling oordeelde dat het bestuursorgaan in beginsel moet handhaven bij overtreding van wettelijke voorschriften en dat het ontbreken van milieubelangen geen reden is om af te zien van handhaving.
Appellant stelde ook dat het college het besluit onvoldoende had gemotiveerd en geen belangenafweging had gemaakt, maar dit werd verworpen omdat het college in zowel het primaire besluit als het besluit op bezwaar op de handhavingsplicht en belangen was ingegaan. Ten slotte werd het beroep tegen het invorderingsbesluit van € 70.000 niet-ontvankelijk verklaard omdat het college dit besluit had ingetrokken, waardoor appellant geen belang meer had bij de procedure.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het handhavingsbesluit wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het invorderingsbesluit niet-ontvankelijk wegens intrekking.