ECLI:NL:RVS:2019:4413
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging kosten bestuursdwang bij onjuist aanbieden huishoudelijk afval in strijd met Afvalstoffenverordening
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 3 september 2018 spoedeisende bestuursdwang toegepast tegen appellant wegens het aanbieden van huishoudelijk afval in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010. Hierbij is een doos naast een aangewezen inzamelvoorziening aangetroffen, voorzien van een sticker met het adres van appellant en de naam van zijn minderjarige dochter. Het college heeft de kosten van bestuursdwang (€126,00) op appellant verhaald.
Appellant voerde aan dat zijn echtgenote de doos in de container had gedeponeerd en dat zijn naam niet op de doos stond, waardoor hij niet als overtreder kon worden aangemerkt. Tevens stelde hij dat het college selectief handelde en onzorgvuldig was in de communicatie. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de persoon tot wie de afvalstoffen kunnen worden herleid als overtreder geldt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Appellant heeft dit bewijsvermoeden onvoldoende weerlegd.
De Afdeling oordeelde dat het college terecht een deel van de bestuursdwangkosten op appellant heeft verhaald en dat er geen aanwijzingen zijn voor willekeur of schending van het gelijkheidsbeginsel. Ook was er geen grond om het besluit op bezwaar te vernietigen wegens onzorgvuldigheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de kosten van bestuursdwang blijven voor rekening van appellant.