ECLI:NL:RVS:2025:2210
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering voorschot kindgebonden budget wegens ontbreken recht op kinderbijslag
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de vaststelling van het voorschot kindgebonden budget over het derde kwartaal van 2021 op nul euro door de Dienst Toeslagen. Appellant was met haar kinderen in 2018 naar Turkije verhuisd en keerde pas in juni 2021 terug naar Nederland, waarbij zij tijdelijk dakloos was en later in noodopvang verbleef. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) had vastgesteld dat appellant voor dat kwartaal geen recht had op kinderbijslag, een voorwaarde voor het kindgebonden budget.
De rechtbank had het beroep van appellant tegen het besluit van de Dienst Toeslagen gegrond verklaard voor het vierde kwartaal, maar niet voor het derde kwartaal. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel en oordeelt dat artikel 2, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget (Wkgb) dwingend voorschrijft dat aanspraak op kindgebonden budget alleen bestaat als er recht is op kinderbijslag. De Afdeling wijst het betoog van appellant af dat bijzondere omstandigheden zoals dakloosheid en armoede tot een afwijking zouden moeten leiden.
Ook de aangevoerde internationale verdragen, waaronder het Kinderrechtenverdrag, het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, bieden geen grond voor een andere uitkomst. De Afdeling benadrukt dat appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het SVB-besluit over het recht op kinderbijslag. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het voorschot kindgebonden budget voor het derde kwartaal van 2021 wordt terecht op nul vastgesteld en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.