ECLI:NL:RVS:2019:981
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- G. van der Wiel
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor staatloze moeder bij meerderjarige zoon met asielstatus
De zaak betreft een staatloze vrouw geboren in 1937 die een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aanvraagt om bij haar zoon, geboren in 1978 en houder van een verblijfsvergunning asiel, te verblijven. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat zij geen gezinslid is als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de vreemdeling stelde hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderzocht of de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is en of de vreemdeling rechten kon ontlenen aan de artikelen 4 of 10 van die richtlijn. Hoewel de richtlijn van toepassing is op de zoon als gezinshereniger, kan de moeder als ouder van een meerderjarige gezinshereniger geen rechten ontlenen aan de facultatieve bepalingen van artikel 4, tweede lid, omdat deze niet door de Nederlandse wetgever zijn geïmplementeerd.
Verder oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris de vreemdeling terecht naar de reguliere procedure verwees, omdat zij niet behoort tot de in artikel 29, tweede lid, genoemde categorieën gezinsleden. Wel moet de staatssecretaris de vreemdeling volledig informeren over de gevolgen van de afwijzing en de mogelijkheden in de reguliere procedure. Hoewel de informatieverstrekking niet volledig was, werd dit gebrek gepasseerd omdat de vreemdeling reeds op de hoogte was.
De grieven van de vreemdeling worden verworpen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 2.304,00.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; afwijzing mvv-aanvraag bevestigd; staatssecretaris veroordeeld tot proceskostenvergoeding.