ECLI:NL:RVS:2020:1120
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing rijbewijs beginnend bestuurder na snelheidsovertredingen
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) legde aan appellant een onderzoek naar rijvaardigheid op en schorste zijn rijbewijs na twee onherroepelijke snelheidsovertredingen als beginnend bestuurder op 29 en 31 maart 2018. Appellant voerde aan dat de overtreding van 31 maart onvoldoende was bewezen en dat de maatregel als een straf moest worden beschouwd, waardoor het evenredigheidsbeginsel van toepassing zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat de overtredingen onherroepelijk vaststaan en dat de maatregel een bestuurlijke maatregel is, geen straf, zodat het evenredigheidsbeginsel niet van toepassing is. In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de snelheidsovertreding niet betrouwbaar was vastgesteld en dat de schorsing hem als vrachtwagenchauffeur zwaar trof.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het CBR uitgaat van de onherroepelijke strafbeschikkingen en dat het onderzoek naar de snelheidsovertreding in de strafprocedure had moeten plaatsvinden. De maatregel is gericht op verkeersveiligheid en heeft geen punitief karakter. De schorsing van vier maanden en de gevolgen voor appellant zijn niet disproportioneel. Het beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De schorsing van het rijbewijs van appellant wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.