Uitspraak
Datum uitspraak: 29 april 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde aan twee partijen bestuurlijke boetes op wegens het zonder vergunning omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten in een woning te Rotterdam. De rechtbank verklaarde deze boetes onrechtmatig en vernietigde de besluiten, omdat de Huisvestingsverordening 2016, waarop het college zich baseerde, onverbindend was wegens strijd met artikel 2 van Pro de Huisvestingswet 2014. De rechtbank oordeelde dat de gemeenteraad onvoldoende had onderbouwd dat er sprake was van schaarste aan goedkope woonruimte die het instellen van een vergunningplicht rechtvaardigde.
Het college stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de gehele verordening onverbindend had verklaard en verwees naar de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek als grondslag voor (delen van) de verordening. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde echter dat de rechtbank haar oordeel had moeten beperken tot het deel van de verordening dat betrekking heeft op het omzetten van woonruimte zonder vergunning. De Afdeling oordeelde dat de gemeenteraad niet had aangetoond dat er sprake was van noodzakelijke en geschikte maatregelen ter bestrijding van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte in de betreffende wijk en dat de regels daarom inbreuk maken op het eigendomsrecht en buiten toepassing moeten blijven.
De Afdeling wees ook op het belang van een zorgvuldige motivering en onderbouwing van de bevoegdheden van de gemeenteraad bij het vaststellen van huisvestingsverordeningen. Het hoger beroep van het college werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de gronden. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de wederpartijen en tot betaling van griffierechten.
Uitkomst: De bestuurlijke boetes wegens omzetting van zelfstandige woonruimte zonder vergunning worden vernietigd en het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard.