Uitspraak
Datum uitspraak: 22 juli 2020
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
HET PROVINCIAAL INPASSINGSPLAN
OMGEVINGVERGUNNINGEN EN MAATWERKVOORSCHRIFTEN
SLOTOVERWEGINGEN EN CONCLUSIE
voorzitter griffier
Raad van State
Provinciale staten van Noord-Brabant stelden op 28 september 2018 het inpassingsplan 'Windenergie A16' vast, dat de bouw van 28 windturbines langs de A16 mogelijk maakt. Tegelijkertijd werden 11 omgevingsvergunningen verleend voor de bouw en exploitatie van deze turbines. Diverse appellanten, waaronder bewoners, natuurverenigingen en bedrijven, stelden beroep in tegen deze besluiten vanwege zorgen over geluidsoverlast, slagschaduw, aantasting van natuur- en landschapswaarden en de ruimtelijke inpassing.
De Raad van State beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van de beroepen en oordeelde onder meer dat sommige beroepen niet ontvankelijk waren omdat er geen zienswijze was ingediend tijdens de ontwerpbesluiten. Vervolgens werd het provinciale inpassingsplan getoetst aan het recht, waarbij de Afdeling oordeelde dat provinciale staten zich redelijkerwijs op het standpunt konden stellen dat het plan bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening.
De Afdeling ging uitgebreid in op de milieueffectrapportage (MER) en concludeerde dat het MER toereikend was en dat de keuze voor het voorkeursalternatief (VKA) zorgvuldig was gemaakt, inclusief de afwegingen rondom geluid, slagschaduw en natuurcompensatie. Ook werd geoordeeld dat de provinciale Verordening ruimte correct was toegepast, met name artikel 33 dat Pro het mogelijk maakt windturbines in zoekgebieden te realiseren. De clusters van windturbines voldeden aan de criteria van de verordening.
Ten aanzien van geluid werd vastgesteld dat de normen uit het Activiteitenbesluit als uitgangspunt gelden en dat de cumulatie van geluid met andere bronnen voldoende was onderzocht, hoewel provinciale staten een aanvullende planregel moesten opnemen om cumulatieve geluidbelasting van alle turbines te beperken. Ook werd geoordeeld dat de mitigerende maatregelen en de flexibiliteit in turbineplaatsing binnen het plan niet tot relevante overschrijdingen leiden.
De Afdeling verwierp bezwaren over onvoldoende rekening houden met laagfrequent geluid, de effecten op natuurgebieden binnen het Natuur Netwerk Brabant en de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Beroepen over niet-naleving van gemeentelijk beleid of bestemmingsplannen faalden omdat provinciale staten niet gebonden zijn aan gemeentelijke keuzes. Tot slot werd een beroep over de classificatie van bedrijfswoningen buiten beschouwing gelaten wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: De beroepen tegen het inpassingsplan en de omgevingsvergunningen worden afgewezen, met toevoeging van een planregel ter beperking van cumulatieve geluidbelasting.