ECLI:NL:RVS:2020:2030
Raad van State
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- J.A. Hagen
- G.T.J.M. Jurgens
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Raad van State oordeelt over planologische vergelijking bij indirecte planschade na wijziging bestemmingsplan Lubberstraat fase II
Het geschil betreft de afwijzing van aanvragen om tegemoetkoming in planschade door het college van burgemeester en wethouders van Oirschot, na vaststelling van het bestemmingsplan Lubberstraat fase II. Appellanten, eigenaren van woningen nabij het plangebied, stelden dat de woningbouw in het plangebied heeft geleid tot waardevermindering van hun woningen.
Het college baseerde haar besluit op een vergelijking tussen het derde bestemmingsplan en het tweede bestemmingsplan, waarbij de uit te werken bestemming uit het tweede plan werd betrokken. Appellanten betoogden dat deze vergelijking onjuist was en dat het eerste bestemmingsplan, met agrarische bestemming, als referentie had moeten dienen omdat het uitwerkingsplan nooit is vastgesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college ten onrechte geen vergelijking heeft gemaakt tussen het derde en het eerste bestemmingsplan. De Afdeling stelde dat in gevallen waarin een bestemmingsplan met een uit te werken bestemming niet is uitgewerkt, maar wordt gevolgd door een ander bestemmingsplan, de vergelijking moet plaatsvinden tussen het nieuwe bestemmingsplan en het planologische regime dat daaraan voorafging, hier het eerste bestemmingsplan.
De Afdeling droeg het college op het besluit binnen dertien weken te herstellen en een nieuw deskundigenadvies in te winnen waarin de planologische vergelijking tussen het derde en het eerste bestemmingsplan wordt gemaakt. Tevens moet het college besluiten over terugbetaling van betaalde rechten en vergoeding van gemaakte kosten.
De uitspraak bevestigt de noodzaak van een juiste planologische vergelijking bij indirecte planschade en voorkomt dat belanghebbenden tussen wal en schip vallen door het ontbreken van een uitwerkingsplan.
Uitkomst: Het college moet het besluit herzien en een nieuwe planologische vergelijking maken tussen het derde en het eerste bestemmingsplan.