ECLI:NL:RVS:2020:2332
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A. Kuijer
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 20 juli 2017 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af, omdat de vreemdeling haar identiteit niet aannemelijk had gemaakt met officiële documenten. De vreemdeling, met Eritrese nationaliteit, wilde nareisverblijf bij haar gestelde echtgenoot, die sinds 2015 een verblijfsvergunning asiel heeft. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en beval de staatssecretaris een DNA-onderzoek aan te bieden.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat de vreemdeling onvoldoende bewijs had geleverd van haar identiteit en dat het DNA-onderzoek zinloos was omdat het niet bijdroeg aan de bewijsvoering van haar identiteit. Ook stelde hij dat het kind, geboren in 2018, niet onder de toepassingsbereik van de Gezinsherenigingsrichtlijn viel.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende waarde had toegekend aan het Soedanese vluchtelingendocument en dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt in bewijsnood te verkeren. Ook was het DNA-onderzoek niet verplicht omdat het kind niet tot het gezin behoorde bij binnenkomst van de referent in Nederland. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep tegen het besluit van 30 juli 2019 werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.