ECLI:NL:RVS:2020:2684
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verstrekking Nederlands paspoort wegens gegrond vermoeden schending Paspoortwet
Appellante beschikte sinds eind 2001 onrechtmatig over twee Nederlandse paspoorten, een in Nederland verstrekt en een via de ambassade in Suriname. Dit werd in 2016 ontdekt en leidde tot registratie in het Register Paspoortsignaleringen vanwege het vermoeden dat zij het vertrouwen in reisdocumenten heeft geschaad.
De burgemeester van Amsterdam weigerde in 2017 en 2018 de verstrekking van een nieuw paspoort, waarbij het gegronde vermoeden bleef bestaan. Appellante voerde aan dat dit vermoeden niet meer bestond en dat zij onevenredig werd benadeeld, mede vanwege haar band met Suriname. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de registratie terecht was gehandhaafd en dat de burgemeester niet onjuist had gehandeld.
Verder werd het beroep op artikel 8 EVRM Pro en het Vierde Protocol verworpen, omdat de inmenging in haar rechten noodzakelijk was voor de openbare veiligheid en het voorkomen van strafbare feiten. Ook het betoog dat de weigering een punitieve sanctie zou zijn, werd afgewezen. De Afdeling bevestigde dat de weigering niet als strafrechtelijke sanctie geldt, maar een maatregel is ter bescherming van het vertrouwen in reisdocumenten.
Ten slotte faalden de betogen dat de weigering neerkomt op een onmenselijke behandeling of een onrechtmatig uitreisverbod, omdat appellante met een identiteitskaart binnen de EU kan reizen en contact met familie op andere wijze kan onderhouden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van een paspoort aan appellante wegens het gegronde vermoeden dat zij het vertrouwen in reisdocumenten heeft geschaad.