ECLI:NL:RVS:2020:2805
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- J.J. van Eck
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete wegens onvergunde omzetting zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde op 20 februari 2019 aan [appellant A] en [appellant B] een bestuurlijke boete van €18.000,- op wegens overtreding van artikel 21, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014. Dit volgde op een huisbezoek op 20 december 2018, waarbij toezichthouders constateerden dat de woning was verhuurd aan vijf personen, elk met een eigen huurcontract, zonder gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen de boete ongegrond. In hoger beroep betoogden zij onder meer dat de aanwijzing van zelfstandige woonruimte waarvoor een vergunning vereist is, niet strookt met de Huisvestingswet 2014, dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de verhuursituatie en dat de boete gematigd had moeten worden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp deze bezwaren. Zij bevestigde dat de aanwijzing van zelfstandige woonruimte in de huisvestingsverordening voldoet aan de wettelijke vereisten en dat de motivering van het college, gebaseerd op verklaringen van huurders, e-mails en de feitelijke situatie tijdens het huisbezoek, deugdelijk is. Ook het argument dat de makelaar als overtreder moet worden aangemerkt faalde, aangezien het beheer voor risico van de eigenaar komt.
De Raad van State oordeelde verder dat het feit dat na het huisbezoek alsnog een vergunning werd verleend, geen reden is om de boete te matigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €18.000,- wegens onvergunde omzetting van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte.