ECLI:NL:RVS:2020:2192
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete wegens omzetten zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte zonder vergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde op 4 juli 2018 een bestuurlijke boete van €6.000,- op aan appellant wegens overtreding van artikel 21, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014. Dit volgde op een huisbezoek op 30 april 2018 waarbij werd vastgesteld dat de woning was omgezet van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte zonder vergunning.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. Appellant voerde aan dat de aanwijzing in artikel 3.1.1. van de Huisvestingsverordening 2016 in strijd was met de Huisvestingswet 2014, onder meer omdat alleen goedkope woonruimte vergunningplichtig mag zijn en de onderbouwing van schaarste en leefbaarheidsproblemen onvoldoende was.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de aanwijzing niet in strijd is met de Huisvestingswet 2014, dat de gemeenteraad een hogere prijsgrens mag hanteren en dat de onderbouwing van schaarste deugdelijk is. Ook het beroep op het eigendomsrecht uit artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM faalde omdat de inmenging bij wet is voorzien en evenredig is.
Verder werd geoordeeld dat appellant als eigenaar en verhuurder verantwoordelijk is voor het feitelijk toezicht op het gebruik van de woning en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet wist of kon weten van de onzelfstandige verhuursituatie. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de boete bevestigd.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €6.000,- wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.