Uitspraak
Datum uitspraak: 26 februari 2020
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
De zaak betreft een bestuurlijke boete van €4.000,- opgelegd aan een werkgever wegens het niet giraal uitbetalen van het minimumloon aan vier werknemers over de periode januari tot en met april 2016. De rechtbank had de boete gematigd tot €1.500,- omdat de werkgever niet op de hoogte was van de nieuwe verplichting en het een kleine werkgever betreft met beperkte financiële middelen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze matiging en voerde aan dat opzet geen vereiste is voor de overtreding en dat de boete in lijn is met het beleidsregel. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de boete matigde en dat de beleidsregel niet onredelijk is. De werkgever is zelf verantwoordelijk voor kennis van wetswijzigingen en de boete is proportioneel.
De Afdeling verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, het incidenteel hoger beroep van de werkgever ongegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het bezwaar ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris ongegrond.