ECLI:NL:RVS:2020:813
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J.E.M. Polak
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting woning wegens handelshoeveelheid harddrugs zonder voorafgaande waarschuwing
De burgemeester van Heerlen sloot op 17 juni 2015 een huurwoning van appellant op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet voor twaalf maanden vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze sluiting, dat door de rechtbank Limburg ongegrond werd verklaard. In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de sluiting onevenredige gevolgen had en dat het beleid onredelijk was, omdat er geen handelsactiviteiten waren waargenomen en hij niet strafrechtelijk was veroordeeld.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de burgemeester terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs was onbetwist en het beleid om zonder waarschuwing te sluiten is niet onredelijk. De door appellant aangevoerde bijzondere omstandigheden en het ontbreken van strafrechtelijke veroordeling rechtvaardigden geen afwijking van het beleid.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden met minder dan zes maanden, grotendeels toe te rekenen aan de Afdeling zelf. Daarom werd appellant een schadevergoeding van €500 toegekend en een vergoeding van €262,50 voor proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de sluiting van de woning voor twaalf maanden bevestigd met een beperkte schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.