ECLI:NL:RVS:2020:837
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.J. Borman
- J.W. van de Gronden
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering omgevingsvergunning wegens zakelijk samenwerkingsverband en Bibob-risico
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda van 21 september 2017, waarin een omgevingsvergunning werd geweigerd. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde in een tussenuitspraak vast dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan en onvoldoende had gemotiveerd dat er een zakelijk samenwerkingsverband bestond tussen appellant en belanghebbende. Het college kreeg de opdracht dit gebrek te herstellen.
In een aanvullende motivering van 13 november 2019 overwoog de Afdeling dat het Landelijk Bureau Bibob (LBB) op basis van feiten en omstandigheden concludeerde dat een zakelijk samenwerkingsverband bestond, onder meer vanwege financiële relaties, gedeeld zakelijk netwerk en eerdere constructies. De Afdeling achtte deze motivering voldoende en aannemelijk.
Het college stelde dat er ernstig gevaar bestond dat de vergunning mede zou worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen voordelen te benutten (A-grond) en om strafbare feiten te plegen (B-grond). De Afdeling vond dit standpunt redelijk gegrond, mede door de financiële relatie en eerdere veroordelingen van belanghebbende.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het voorkomen van misbruik zwaarder woog dan het belang van appellant bij vergunningverlening. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van het college tot weigering van de omgevingsvergunning wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.