Conclusie
1.Overzicht van de zaak en de conclusie
De zaak in het kort
beroep tegen het niet-tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar. Na een vereenvoudigde behandeling met toepassing van art. 8:54 Awb Pro is dat beroep kennelijk gegrond verklaard door de Rechtbank (de 8:54-Rechter). In verzet betoogt de Heffingsambtenaar dat het beroep niet-ontvankelijk is op grond van art. 6:12(4) Awb omdat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. De Rechtbank (
de Verzetrechter) verklaart het verzet ongegrond. De Verzetrechter is van oordeel dat hij niet toekomt aan de vraag of het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. De Verzetrechter geeft daarvoor als reden, in de kern, dat niet onredelijk is de toepassing door de 8:54-Rechter van zijn bevoegdheid ex art. 8:31 Awb Pro om aan het niet toezenden van de op de zaak betrekking hebbende stukken het gevolg te verbinden dat hij uitgaat van de bij hem wel bekende informatie.
(i)dat in verzet terecht erover is geklaagd dat de 8:54-Rechter nagelaten heeft om ambtshalve te beoordelen of het beroepschrift onredelijk laat ingediend (schending art. 6:12(4) Awb),
(ii)dat ten onrechte althans op onjuiste wijze toepassing is gegeven aan art. 8:31 Awb Pro, en
(iii)dat de Verzetrechter ten onrechte eraan voorbijgaat dat in verzet nieuwe argumenten kunnen worden aangevoerd (schending art. 8:55(1) Awb).
termijngebondenrechtsmiddelen – dienovereenkomstig van toepassing is met betrekking tot het niet-termijngebonden rechtsmiddel van beroep tegen niet-tijdig beslissen, meer in het bijzonder op de regel dat zo’n beroep niet-ontvankelijk is indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
onderdeel 4introduceer ik de zojuist in 1.5 vermelde twee vragen aan de hand van het arrest HR BNB 2021/140. Ik merk op dat ik ervan uitga dat in elk geval de rechter in beroep ambtshalve heeft te beoordelen of het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk is op de grond dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend (4.11-4.13). Is dat uitgangspunt onjuist, dan zijn onderdelen 5 (in het algemeen) en 6 (voor deze zaak) overbodig, en kan direct worden doorgeschakeld naar onderdeel 7.
onderdeel 5ga ik in op de vraag of HR BNB 2021/140 dienovereenkomstig geldt voor de beoordeling of het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is op de grond dat het onredelijk laat is ingesteld. Mede aan de hand van een onderzoek naar het belang dat art. 6:12(4) Awb dient, beantwoord ik die vraag bevestigend (5.12-5.17). Dit betekent dat de rechter in volgende instantie niet ambtshalve die beoordeling mag doen.
onderdeel 7de vraag of – zoals in deze zaak het geval is – in verzet voor het eerst kan worden geklaagd over onredelijk late indiening van het beroepschrift. Ik concludeer dat die vraag als uitgangspunt bevestigend kan worden beantwoord.
onderdeel 8bespreek ik het principale beroep in cassatie. Anders dan belanghebbende lees ik de uitspraak van de Verzetrechter zo dat hij
nietheeft beoordeeld of het beroep onredelijk laat heeft ingesteld (8.1-8.2). Aangezien ik meen dat de Verzetrechter dat ambtshalve had moeten doen, meen ik dat de eerste klacht slaagt (8.3). De klachten hoeven dan voor het overige geen behandeling.
principale beroep in cassatieis dus
gegrondis , en het
incidentele beroep in cassatieis
ongegrond.
2.De feiten en het geding in beroep en verzet
De feiten
3.Het geding in cassatie
drie klachtenaan, die alle zijn gericht tegen het oordeel van de Rechtbank over de stelling van de Heffingsambtenaar dat het beroep tegen het niet tijdig doen van de uitspraak op bezwaar onredelijk laat is ingesteld. Volgens de klachten schendt dit oordeel telkens een andere bepaling van de Awb.
eersteklacht art. 6:12(4) Awb, dat bepaalt dat een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is als het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Het College betoogt dat “de beroepsrechter” (naar ik begrijp: de 8:54-Rechter) in strijd daarmee niet heeft beoordeeld of het beroepschrift van belanghebbende onredelijk laat is ingediend. De beroepsrechter heeft dit ambtshalve moeten beoordelen. [14] Het blijkt namelijk alleen al uit het beroepschrift van belanghebbende dat dit beroep ruim 3,5 jaar later is ingediend. De Heffingsambtenaar heeft in verzet dan ook terecht geklaagd dat “de rechtbank” niet heeft getoetst aan art. 6:12(2) Awb. Hij heeft deze grief eerst in verzet kunnen aanvoeren. Naar aanleiding daarvan had de Verzetrechter alsnog die toets moeten uitvoeren, aldus het College. [15]
tweedeklacht schendt dit oordeel van de Rechtbank art. 8:31 Awb Pro. Het College betoogt dat “de rechtbank” (naar ik begrijp: de 8:54-Rechter) deze bepaling ten onrechte heeft toegepast op de grond dat de op de zaak betrekking hebbende stukken niet zijn overgelegd. Die bepaling vereist dat niet is voldaan aan de verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Dat is niet het geval: “de rechtbank” heeft de Heffingsambtenaar niet verplicht maar verzocht deze stukken te overleggen. Daarnaast verbindt die bepaling geen gevolgen aan het niet (tijdig) indienen van het verweerschrift. [16] Bovendien mag de rechter geen toepassing geven aan art. 8:31 Awb Pro zonder partijen eerst in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten. [17] “De rechtbank” heeft deze gelegenheid niet geboden. De Verzetrechter gaat uit van andere opvattingen, aldus in de kern het College.
derdeklacht schendt dat oordeel van de Rechtbank art. 8:55(1) Awb. Het College betoogt dat de Verzetrechter in strijd daarmee heeft overwogen dat niet kan worden toegekomen aan de vraag of het beroepschrift van belanghebbende onredelijk laat is ingediend. In verzet kunnen namelijk argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd. [18] Ook bij een normale behandeling van dit beroep had kunnen worden aangevoerd dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend, zodat hetzelfde kan worden aangevoerd in verzet. Dit geldt temeer als “de rechtbank” zelf ambtshalve heeft moeten beoordelen of het onredelijk laat is ingediend, aldus nog steeds het College.
verweerbetoogt belanghebbende dat het verzet terecht ongegrond is verklaard. Hij brengt tegen de eerste klacht in dat “de rechtbank” (naar ik begrijp: de 8:54-Rechter) wél heeft beoordeeld of het beroep onredelijk laat is ingediend maar heeft geoordeeld dat dit niet het geval is . Dat oordeel is terecht, zoals ook de Verzetrechter overweegt. Die (feitelijke) beoordeling is voorbehouden aan de rechtbank als feitenrechter en kan in cassatie niet worden getoetst op juistheid. De Verzetsrechter heeft de verzetsgrond van de Heffingsambtenaar wel degelijk beoordeeld en terecht overwogen dat de 8:54-Rechter tot de conclusie kon en mocht komen dat het beroep ontvankelijk was, aldus belanghebbende.
4.In verzet ambtshalve beoordeling van onredelijke ontijdigheid van beroep?
hemzelf, tijdig is ingesteld. Dit uitgangspunt is ook tot uitdrukking gebracht in de rechtspraak van andere (hoogste) bestuursrechters. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) [21] , het College voor Beroep van het bedrijfsleven (CBb) [22] , en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) [23] hanteren hetzelfde uitgangspunt; zij brengen het ook wel aldus tot uitdrukking dat de wettelijke bepalingen over de tijdigheid van het bezwaar of het beroep dwingend van aard zijn. Ook gerechtshof Arnhem-Leeuwarden als bestuursstrafrechter in zogenoemde Mulderzaken hanteert dat uitgangspunt. [24] Dat geldt ook voor de Caribische bestuursrechter, het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (GHvJ). [25]
volgendeinstantie ambtshalve beoordeelt of het rechtsmiddel in
vorigeinstantie tijdig is ingesteld. Daarmee ziet het arrest niet zonder meer op de vraag of de rechter in verzet ambtshalve beoordeelt of het beroep tijdig is ingesteld. Beroep en verzet worden namelijk ingesteld bij één en dezelfde rechterlijke instantie. Het valt in verband daarmee op dat rov. 4.3.4 van HR
BNB2021/140 slechts expliciteert dat noch de rechtbank het bezwaar noch het gerechtshof het beroep niet-ontvankelijk mag verklaren om de ambtshalve reden van termijnoverschrijding. Aldus blijft in het midden of de verzetrechter in (hoger) beroep dat (hoger) beroep niet-ontvankelijk mag verklaren om dezelfde reden.
termijngebondenrechtsmiddelen. Dit is het vereiste dat het rechtsmiddel tijdig, althans verschoonbaar laat is ingesteld. Ook daarmee ziet het arrest niet zonder meer op de vraag of de rechter in verzet ambtshalve beoordeelt of het beroep wegens het uitblijven van een besluit onredelijk laat is ingesteld. Dit beroep is namelijk niet een termijngebonden rechtsmiddel (art. 6:12(1) Awb). Of het arrest toch daarop ziet, hangt mijns inziens af van art. 6:12(4) Awb zelf, dat vereist dat het beroepschrift niet onredelijk laat is ingediend, en het belang dat dit artikellid dient. Immers, het gaat blijkens rov. 4.3.3 van HR BNB 2021/140 erom of de wettelijke bepaling die het ontvankelijkheidsvereiste stelt en/of het belang dat deze bepaling dient, tot gevolg hebben dat de rechter ambtshalve beoordeelt of het rechtsmiddel voldoet aan dat vereiste. Dezelfde rov. 4.3.3 laat in het midden of art. 6:12(4) Awb dan wel het daaraan ten grondslag liggende belang leidt tot dit gevolg: die bepaling mist tussen de bepalingen die zijn vermeld in rov. 4.3.2.
BNB2021/140, MP] opgenomen beslissing ook toe te passen op beantwoording van de vraag of degene die een bezwaarschrift indiende daartoe bevoegd was. Het Hof heeft die vraag dan ook terecht ambtshalve beoordeeld en beantwoord.”
nietambtshalve heeft te beoordelen of het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is op de grond dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. In dat geval geldt immers vanzelfsprekend dat de verzetrechter dat evenmin ambtshalve mag beoordelen.
nietambtshalve die beoordeling mag doen.
6.Vraag 2: is verzet een volgende instantie of voortzetting van eigen instantie?
dezelfdelijn als de regelingen van het verzoek om een voorlopige voorziening en van het verzoek om herziening. Immers, elk van deze regelingen behoeft een afzonderlijke wetsbepaling die de daarvoor in aanmerking komende algemene bepalingen van bezwaar en beroep van overeenkomstige toepassing verklaart. Elk behoeft zo’n afzonderlijke wetsbepaling omdat het telkens gaat om – in de woorden van de regering – een sequeel van het beroep zelf. Het gaat dus – in mijn woorden – om een procedure die niet zozeer op zichzelf staat, maar veeleer een aanhangsel is van het beroep zelf.
tegenoverdie van hoger beroep en beroep in cassatie. Het gaat bij elk van beide rechtsmiddelen niet om – wederom in haar woorden – een sequeel van het beroep. Het gaat dus – wederom in mijn woorden – om een procedure die op zichzelf staat en juist niet aan het beroep ‘hangt’. Aangezien elk een volgende instantie inleidt, begrijp ik de regering aldus dat zij ervan is uitgegaan dat noch verzet noch het verzoek om een voorlopige voorziening of om herziening een volgende instantie inleidt.
beroep). Zodra verzet is gedaan, is de zaak (weer) in de fase van het beroep beland. Titel 8.3 Awb is daarmee (weer) van toepassing.23 Ingevolge artikel 8:88, tweede lid, Awb, in verbinding met artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan ook hangende een herzieningsprocedure een verzoek om voorlopige voorziening worden gedaan.
a contrario. De CRvB heeft het hoger beroep van de verzoekster niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van art. 8:54 Awb Pro en het daaropvolgende verzet ongegrond verklaard. Pas daarna heeft de verzoekster een verzoek gedaan om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van de CRvB verklaart dit verzoek niet-ontvankelijk omdat niet (langer) is voldaan aan het vereiste van formele connexiteit. Omdat de voorzieningenrechter daarbij ook betrekt dat het verzet ongegrond is verklaard, zou daaruit kunnen worden afgeleid dat deze rechter is uitgegaan van de opvatting – althans niet heeft willen uitsluiten – dat het verzoek wél zou hebben voldaan aan het connexiteitsvereiste in het – zich niet voordoende – geval dat het zou zijn gedaan voor het doen van uitspraak op het verzet. Maar toegegeven: het is indirect en
a contrario.
statischeopvatting van het harmonisatiestreven dat de wetgever heeft gehanteerd bij het opstellen van regels van uniform bestuursprocesrecht. Immers, het harmonisatiestreven is geuit in de aanloop naar de invoering van de Awb op 1 januari 1994 (zie 6.25), terwijl het uitgangspunt dat verzet de instantie heropent niet eerder dan 1 januari 2002 en mogelijk zelfs pas op 15 oktober 2005 ten grondslag ligt aan de regeling van verzet in Rv (zie 6.33). Sterker nog, tot 1 januari 2002 heeft aan deze regeling het tegengestelde uitgangspunt ten grondslag gelegen, namelijk dat juist de aard van het aanwenden van een rechtsmiddel prevaleert (zie 6.29-6.31). Het aanknopingspunt kan wel worden gebaseerd op een
dynamischeopvatting van het harmonisatiestreven, waarbij ook rekening wordt gehouden met de rechtsontwikkeling in het burgerlijke procesrecht. Daarbij komt nog dat bij die rechtsontwikkeling steeds ervan is uitgegaan dat het rechtsmiddel van verzet hybride van aard is . Met andere woorden, hierbij is ervan uitgegaan dat verzet hoe dan ook mede de aard heeft dat het oorspronkelijke geding wordt voortgezet.
hemzelf, tijdig is ingesteld (zie 4.3). Aangezien ik meen dat verzet dezelfde instantie als het beroep voortzet, brengt dit uitgangspunt met zich dat ook de verzetrechter ambtshalve beoordeelt of het beroep
tijdigis ingesteld. Dit zou anders zijn indien er aanleiding is om voor verzet af te wijken van dat uitgangspunt, gelet op de bijzondere omstandigheid dat verzet op zichzelf een rechtsmiddel is . Ik zie daarvoor onvoldoende reden. Die bijzondere omstandigheid neemt immers niet weg dat verzet onderdeel is van de beroepsprocedure. De verzetrechter is als onderdeel van de beroepsinstantie mede verantwoordelijk voor de ambtshalve controle van de tijdigheid van het beroep.
nietambtshalve mag beoordelen of het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit onredelijk laat is ingesteld, is van belang dat de Heffingsambtenaar in verzet het standpunt heeft ingenomen dat het beroep onredelijk laat is ingesteld en daarom niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard (zie Rechtbank, rov. 3). De vraag rijst of in verzet voor het eerst dat standpunt kan worden ingenomen. Ik beschouw die vraag vanuit twee invalshoeken.
8.Beoordeling van het principale beroep in cassatie
Eerste klacht
nietmeer hadden kunnen worden aangevoerd, hoeven door de verzetrechter niet in acht te worden genomen bij zijn beoordeling van het verzet. Gelet daarop sluit ik niet uit dat
alsde 8:54-Rechter aan het niet-voldoen door de Heffingsambtenaar aan een verplichting als bedoeld in art. 8:31 Awb Pro de gevolgtrekking had verbonden dat het beroep ontvankelijk is , de Heffingsambtenaar in verzet niet meer had kunnen aanvoeren dat het beroep niet-ontvankelijk is .