De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in het hoger beroep wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor het instellen van hoger beroep. Het verstekvonnis was op 22 november 2019 gewezen en op 10 maart 2020 betekend, waarna de termijn van veertien dagen voor hoger beroep verstreek zonder dat de verdachte tijdig hoger beroep instelde. Pas op 10 juli 2020 werd het hoger beroep ingesteld.
De verdediging voerde aan dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was vanwege de moeilijke persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder dakloosheid, het verlies van haar moeder, zorg voor haar vader en psychische problematiek. De verdachte had medische hulp gezocht, maar er was geen diagnose van een psychische stoornis gesteld. Het hof oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende waren om de termijnoverschrijding te verontschuldigen, mede omdat geen objectieve medische informatie beschikbaar was die een psychische stoornis bevestigde.
De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep, stellende dat het hof terecht heeft geoordeeld dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maken. Het hof hield vast aan het criterium dat een psychische gesteldheid alleen verontschuldigend werkt indien de verdachte niet in staat was te beoordelen dat hoger beroep moest worden ingesteld. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.