ECLI:NL:RBDHA:2024:17733
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens schending wachttijd en recht op rechtsbijstand
Eiser werd op 8 oktober 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 25 oktober 2024 via telehoor.
De kern van het geschil betrof de naleving van de verplichte wachttijd van twee uur tussen de piketmelding aan de advocatendienst en het aanvangstijdstip van het gehoor. Het proces-verbaal vermeldde dat de advocatenpiketdienst om 18:14 uur was geïnformeerd, maar een e-mailwisseling in het dossier toonde aan dat dit pas om 18:24 uur was gebeurd. Het gehoor begon om 20:20 uur, waardoor de wachttijd van twee uur niet was gerespecteerd. Bovendien was er geen advocaat aanwezig tijdens het gehoor.
De rechtbank stelde vast dat hierdoor het recht van eiser op toevoeging van een raadsman bij vrijheidsontneming, zoals bedoeld in artikel 100, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, was geschonden. Dit ernstige gebrek maakte de bewaring onrechtmatig, temeer daar geen zwaarwegende belangen van de minister waren aangevoerd om het gebrek te rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de onmiddellijke opheffing van de bewaring, kende een schadevergoeding toe van €2.360,- voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten van €1.750,-.
Uitkomst: De bewaring is onrechtmatig verklaard, opgeheven en eiser krijgt een schadevergoeding en proceskosten toegekend.