ECLI:NL:RVS:2021:2380
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing toevoeging rechtsbijstand concurrentiebeding
Appellante diende op 31 december 2019 een aanvraag in voor een toevoeging voor rechtsbijstand in een procedure over een concurrentiebeding in haar arbeidsovereenkomst. De Raad voor Rechtsbijstand wees deze aanvraag af omdat er al een eerdere toevoeging was verleend voor een procedure over loonvordering en vakantiegeld, waardoor geen nieuw rechtsbelang bestond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat de werkzaamheden waarvoor de toevoeging was aangevraagd inmiddels waren afgerond en appellante niet was verschenen om dit te betwisten.
Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel belanghebbende was omdat de werkzaamheden ten tijde van de aanvraag nog niet waren afgerond en dat haar gemachtigde recht had op loon. De Afdeling overwoog echter dat het doel van het beroep, namelijk het verkrijgen van een tweede toevoeging, ten tijde van het beroep al was bereikt en dat appellante geen financieel of ander belang meer had.
Verder werd geoordeeld dat de gemachtigde wel belanghebbende is bij het besluit, maar dat het beroep niet namens hem was ingesteld. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens ontbreken van procesbelang.