ECLI:NL:RVS:2020:2194
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake toevoeging rechtsbijstand en niet-ontvankelijkheid beroep
In deze bestuursrechtelijke procedure betrof het geschil de afwijzing van een aanvraag tot toevoeging voor rechtsbijstand door de raad voor rechtsbijstand aan [wederpartij A] voor rechtsbijstand door [wederpartij B]. De raad wees de aanvraag af omdat de werkzaamheden onder een eerder verleende toevoeging vielen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van [wederpartij A] niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, maar verklaarde het beroep van [wederpartij B] ontvankelijk en gegrond, vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit.
De raad stelde hoger beroep in en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte het beroep van [wederpartij B] ontvankelijk had verklaard, omdat deze geen bezwaar had gemaakt tegen het bestreden besluit en hem dat redelijkerwijs verweten kon worden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat [wederpartij B] als advocaat belanghebbende is bij het besluit, maar dat hem wel verweten kan worden dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Daarom is het beroep van [wederpartij B] niet-ontvankelijk.
Het incidenteel hoger beroep van [wederpartij A] werd ongegrond verklaard, en dat van [wederpartij B] niet-ontvankelijk. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze het beroep van [wederpartij B] betrof, en het besluit van 11 februari 2019 bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de advocaat wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet maken van bezwaar, en het besluit van de raad voor rechtsbijstand blijft in stand.