ECLI:NL:RVS:2021:2382
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing toevoegingen rechtsbijstand
Appellante diende meerdere aanvragen in voor toevoegingen voor rechtsbijstand in verschillende procedures tegen haar voormalige werkgever. De raad voor rechtsbijstand verleende één toevoeging voor het navorderen van het laatste maandloon en vakantiegeld, maar wees twee andere aanvragen af, omdat deze op hetzelfde rechtsbelang zagen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzingen niet-ontvankelijk, omdat zij geen procesbelang meer had aangezien de zaken waren afgerond en de geschilpunten waren opgelost. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel degelijk belanghebbende was, omdat de werkzaamheden nog niet waren afgerond ten tijde van de aanvragen en zij een overeenkomst van opdracht had met haar advocaat.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het procesbelang ten tijde van het beroep was vervallen, omdat de toevoegingen voor de overige kwesties al waren verleend en de zaken waren beëindigd. Ook werd vastgesteld dat de advocaat weliswaar belanghebbende is voor vergoeding van zijn werkzaamheden, maar dat hij niet zelf beroep had ingesteld. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens ontbreken van procesbelang.