ECLI:NL:RVS:2021:615
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke handhaving tegen cateringbedrijf in strijd met bestemmingsplan Noord Aadorp
Het college van burgemeester en wethouders van Almelo legde op 6 juli 2018 aan [appellant] een last onder dwangsom op om de bedrijfsactiviteiten van haar cateringbedrijf te staken, omdat deze in strijd waren met het bestemmingsplan Noord Aadorp. [Appellant] exploiteerde sinds januari 2017 een cateringbedrijf in een gehuurde loods, die tevens als kantine en privékeuken fungeerde. Na controles in 2017 constateerde het college dat maaltijden professioneel werden bereid en bezorgd, wat niet was toegestaan.
Het college verklaarde het bezwaar van [appellant] tegen de last onder dwangsom ongegrond en paste de motivering en begunstigingstermijn aan. De rechtbank Overijssel verklaarde het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat de loods was ontruimd en de dwangsom niet meer kon worden verbeurd. [Appellant] stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat [appellant] wel degelijk procesbelang had, omdat zij aannemelijk had gemaakt schade te hebben geleden door de last onder dwangsom. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, omdat het college terecht handhavend optrad. Het bestemmingsplan staat alleen wonen, biljart-/dartvereniging en een niet-commerciële kantine toe; het cateringbedrijf was niet toegestaan en er was geen concrete zicht op legalisering. De last onder dwangsom was niet te verstrekkend, omdat deze alleen de bedrijfsactiviteiten betrof en niet het privégebruik van de keuken.
De Raad van State veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan [appellant] wordt terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het college is bevoegd tot handhaving wegens strijd met het bestemmingsplan.