ECLI:NL:RVS:2022:1613
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving Bouwbesluit 2012 ondanks financiële situatie eigenaar appartement
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde aan de eigenaar van een appartement een last onder dwangsom op om bouwtechnische gebreken te herstellen die niet voldeden aan het Bouwbesluit 2012. Dit volgde op een inspectie naar aanleiding van wateroverlast in het appartementencomplex. De eigenaar voerde aan dat er geen sprake was van een overtreding die handhaving rechtvaardigde, omdat het pand niet bewoond was en geen gevaar voor gezondheid of veiligheid bestond.
De rechtbank verklaarde het beroep van de eigenaar ongegrond en oordeelde dat het college bevoegd was tot handhaving en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die handhavend optreden in de weg stonden. De eigenaar stelde in hoger beroep dat het college had moeten afzien van handhaving vanwege zijn financiële situatie en het ontbreken van gevaar.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgde de rechtbank en oordeelde dat het college niet hoefde te motiveren dat sprake was van gevaar voor gezondheid of veiligheid om handhavend op te treden. Ook was er geen sprake van bijzondere omstandigheden die het college verplichten af te zien van handhaving. De invordering van de dwangsom werd eveneens bevestigd, aangezien de eigenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat was de dwangsom te betalen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad van State legde daarmee het algemeen belang van handhaving van bouwvoorschriften zwaarder dan de persoonlijke omstandigheden van de eigenaar.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de handhaving van het Bouwbesluit en de invordering van de dwangsom bevestigd.