ECLI:NL:RVS:2022:2148
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen last onder dwangsom en bestuursdwang wegens bodemverontreiniging
Op 6 april 2020 legde het college van burgemeester en wethouders van Heumen aan appellant een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming. Dit betrof de aanwezigheid van verontreinigd bouw- en sloopafval en het ontbreken van bodemonderzoek. De dwangsommen werden later ingevorderd, en bestuursdwang werd opgelegd wegens het voortduren van de overtreding. De kosten van bestuursdwang werden vastgesteld en verhaald op appellant.
Appellant voerde aan dat bijzondere omstandigheden, zoals sluiting van zijn perceel, financiële problemen en arbeidsongeschiktheid, tot afzien van invordering hadden moeten leiden. De Afdeling oordeelde dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat hij niet kon betalen en dat de sluiting en financiële situatie geen bijzondere omstandigheden vormden. Ook het betoog dat hij de bestuursdwang niet tijdig kon uitvoeren vanwege zijn situatie werd verworpen, mede omdat hij negen maanden had gehad om aan de last te voldoen.
Verder stelde appellant dat hij niet tijdig was gehoord over het kostenverhaal en dat niet was gekozen voor de minst belastende wijze van bestuursdwang. De Afdeling stelde vast dat appellant in de bezwaarfase wel degelijk gelegenheid tot horen had gehad en dat het college de kosten had gespecificeerd en verantwoord. Er was geen reden om het kostenverhaal te vernietigen.
De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en wees de vorderingen af. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de besluiten inzake dwangsommen, bestuursdwang en kostenverhaal wordt ongegrond verklaard.