ECLI:NL:RVS:2022:3310
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op huurtoeslag voor woonboot die niet duurzaam met grond is verenigd
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor huurtoeslag over 2019 door de Belastingdienst/Toeslagen. De dienst had aanvankelijk een voorschot toegekend, maar dit later ingetrokken omdat de woning niet voldeed aan de voorwaarden. De rechtbank Limburg oordeelde dat de woonboot van appellant geen onroerende zaak is omdat deze niet duurzaam met de grond is verenigd, en wees het beroep af.
Appellant stelde dat zijn woonboot duurzaam met de bodem of oever is verbonden door palen en voorzieningen, en verwees naar jurisprudentie en Europese rechtspraak die volgens hem een andere kwalificatie rechtvaardigen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat een woonboot in beginsel een roerende zaak is en dat het meebewegen met het water betekent dat er geen duurzame vereniging met de grond is volgens artikel 3:3 BW Pro. De voorzieningen en aansluiting op nutsvoorzieningen zijn onvoldoende om de woonboot als onroerend te kwalificeren.
Verder wees de Afdeling het beroep af dat de wetgever een andere interpretatie zou hanteren, omdat het wetsvoorstel dat appellant aanhaalde alleen betrekking heeft op ligplaatsen met huurovereenkomst en niet op precariobelasting. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; woonboot is roerende zaak en geen recht op huurtoeslag.