ECLI:NL:RVS:2022:3383
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak over toevoeging rechtsbijstand voor woonkostentoeslag
Bij besluit van 20 oktober 2020 wees de raad voor rechtsbijstand een aanvraag af voor een toevoeging ten behoeve van appellant sub 1. Deze aanvraag had betrekking op een procedure over woonkostentoeslag 2019, terwijl eerder een toevoeging was verleend voor een procedure over woonkostentoeslag 2013. Appellant sub 1 stelde bezwaar en beroep in tegen de afwijzing, maar het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond.
De rechtbank bevestigde dit oordeel, omdat de rechtsbijstand op het moment van het bezwaar al was beëindigd en het toekennen van een nieuwe toevoeging geen gevolgen meer had. Appellant sub 2, advocaat van appellant sub 1, stelde eveneens hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat appellant sub 2 als mede-indiener van het bezwaar moest worden beschouwd en dat het bezwaar van appellant sub 2 niet was behandeld, wat een schending van het recht op een behoorlijke procesgang betekende.
De Afdeling vernietigde daarom het besluit op bezwaar voor zover het niet op het bezwaar van appellant sub 2 was beslist en stelde het bezwaar van appellant sub 2 inhoudelijk ongegrond. Het hoger beroep van appellant sub 1 werd ongegrond verklaard. De Afdeling bevestigde dat de aanvragen om toevoeging voor woonkostentoeslag 2013 en 2019 betrekking hadden op hetzelfde rechtsbelang, zodat slechts één toevoeging toereikend was.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover geen oordeel was gegeven over appellant sub 2, en bevestigd voor het overige. De raad hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant sub 1 wordt ongegrond verklaard, het hoger beroep van appellant sub 2 gegrond, met vernietiging van het besluit op bezwaar voor zover niet op het bezwaar van appellant sub 2 was beslist.