ECLI:NL:RVS:2022:503
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit parkeerontheffing wegens onvoldoende belangenafweging
Appellant vroeg ontheffing van het parkeerverbod voor zijn bus die hoger is dan 2,4 meter, geparkeerd voor zijn woning in een woonwijk. Het college wees de aanvraag in 2019 af vanwege het uiterlijk aanzien van de wijk en voldoende alternatieve parkeerplaatsen. Na bezwaar herzag het college het besluit formeel, maar handhaafde de afwijzing.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn bedrijfsbelangen onevenredig worden aangetast, dat het parkeerbeleid onduidelijk en inconsequent is, en dat het college willekeurig handhaaft. Tevens voerde hij het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel aan.
De Afdeling oordeelde dat de Apv niet onrechtmatig is en dat appellant onvoldoende concrete vergelijkbare gevallen aanvoerde voor het gelijkheidsbeginsel. Het vertrouwensbeginsel werd niet aannemelijk gemaakt. Wel concludeerde de Afdeling dat het college onvoldoende heeft gereageerd op de bijzondere omstandigheden van appellant, zoals zijn langdurig parkeren en bedrijfsvoering, en daardoor de belangen onvoldoende heeft afgewogen.
De Afdeling vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en beval het college een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het griffierecht werd aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het college om de ontheffing van het parkeerverbod af te wijzen wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.