ECLI:NL:RVS:2023:3699
Raad van State
- Hoger beroep
- R. Uylenburg
- J.W. van de Gronden
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring hoger beroep tegen vernietiging natuurvergunning varkenshouderij wegens onzekerheid emissiefactoren
Het college van gedeputeerde staten van Overijssel had een natuurvergunning verleend voor een varkenshouderij aan de locatie in Olst, waarbij gebruik werd gemaakt van een emissiearm stalsysteem D3.2.7.1.1. De vergunning werd verleend omdat de aangevraagde situatie volgens het college leidde tot een gelijkblijvende of afnemende stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Mobilisation for the Environment en de Vereniging Leefmilieu stelden beroep in tegen dit besluit, stellende dat de gebruikte Rav-emissiefactoren voor emissiearme stalsystemen niet betrouwbaar zijn en de werkelijke ammoniakemissie onderschatten.
De rechtbank Overijssel oordeelde dat er voldoende aanwijzingen waren dat de Rav-emissiefactoren de ammoniakemissie onderschatten, mede op basis van het CBS-rapport en het CDM-advies. Ook stelde de rechtbank dat de referentiesituatie onjuist was bepaald doordat productierechten van andere bedrijven ten onrechte waren betrokken. De vergunning werd vernietigd.
Het college stelde in hoger beroep dat de Rav-emissiefactoren wetenschappelijk zorgvuldig waren vastgesteld en dat het CBS-rapport en CDM-advies geen definitieve conclusies bevatten. Het college voerde aan dat de referentiesituatie juist was vastgesteld en dat het verschil in emissie groot genoeg was om significante effecten uit te sluiten. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de Rav-emissiefactor met de vereiste zekerheid kan worden toegepast en dat de referentiesituatie terecht was vastgesteld zonder de aangekochte productierechten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak benadrukt het voorzorgsbeginsel en de strikte toepassing van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn bij het beoordelen van emissies in natuurvergunningen.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de vernietiging van de natuurvergunning bevestigd.