ECLI:NL:RVS:2023:4581
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in MVV-aanvraag
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) bij haar partner, welke op 4 september 2019 door de staatssecretaris werd afgewezen. Na bezwaar en beroep werd dit besluit door de rechtbank bevestigd. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
In de tussentijd diende de vreemdeling een nieuwe MVV-aanvraag in, die op 15 november 2022 werd ingewilligd. Hierdoor had zij bereikt wat zij met het hoger beroep beoogde, waardoor de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde. De Afdeling oordeelde dat het betoog over overschrijding van de redelijke termijn niet van belang was voor de inhoudelijke beoordeling van het geschil.
Desondanks werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase. De staatssecretaris had het bezwaar met twee weken overschreden en de rechtbank het beroep met ruim vijf maanden. De totale overschrijding van bijna zes maanden leidde tot een forfaitaire schadevergoeding van €500, die naar rato werd verdeeld tussen de staatssecretaris en de Staat. Tevens werden proceskosten toegekend voor het verzoek om schadevergoeding, eveneens verdeeld tussen beide partijen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en er wordt een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.