Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres], geboren op [geboortedatum] 1995,
[ouder 1],geboren op [geboortedatum] 1963
,allen van Armeense nationaliteit en tezamen aangeduid als eisers,
Procesverloop
Overwegingen
vast te stellen, impliceert dat de rechter verplicht is om te
onderzoekenof sprake kan zijn van een dergelijke schending van het beginsel van non-refoulement. Dit betekent dus dat de rechter verplicht is om zo nodig ambtshalve de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit na te gaan, voor zover dit rechtmatigheidsonderzoek betrekking heeft op het eerbiedigen van het beginsel van non-refoulement.
de eventuele consequenties die in de onderhavige zaak moeten worden verbonden aan het arrest van het Hof van 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd) (C-663/21, EU:C:2023:540, punt 52), namelijk dat artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de vaststelling van een terugkeerbesluit jegens een onderdaan van een derde land wanneer vaststaat dat zijn verwijdering naar het beoogde land van bestemming voor onbepaalde tijd is uitgesloten op grond van het beginsel van non-refoulement.”
wat betreft de vraag of, en, zo ja, op welke wijze rekening dient te worden gehouden met de schade die een minderjarige zou hebben opgelopen door een langdurig verblijf in een lidstaat en de onzekerheid omtrent zijn terugkeerplicht, die mogelijk kunnen worden toegeschreven aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het door de minderjarige ingediende verzoek om internationale bescherming, met de verwijzende rechter dient te worden opgemerkt dat de bevoegde nationale autoriteiten het bestaan van een dergelijke schade niet dienen te beoordelen in het kader van een procedure die ertoe strekt na te gaan of de betrokkene een „gegronde vrees” heeft in zijn land van herkomst te worden vervolgd wegens het „behoren tot een bepaalde sociale groep” in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95.” (punt 82). Het Hof heeft hieraan toegevoegd dat “
een langdurig verblijf in een lidstaat, vooral wanneer dit samenvalt met een periode waarin een minderjarige verzoeker zijn identiteit heeft gevormd, (…), in aanmerking kan worden genomen bij de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming dat is gebaseerd op een vervolgingsgrond zoals het „behoren tot een bepaalde sociale groep” in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van die richtlijn”. De rechtbank merkt vooralsnog het feitelijke verblijf en met name de duur hiervan, niet aan als zelfstandig relevant element dat moet worden betrokken bij de refoulementbeoordeling. Het beoordelen van de vrees bij terugkeer ziet immers op omstandigheden die zich na terugkeer zullen voordoen in het land van herkomst en niet op (eventuele) ontwikkelingsschade die hier te lande is ontstaan door het gedurende aanzienlijke tijd verblijven zonder dat een verblijfsvergunning is verleend. Het standpunt dat sprake is van zogenoemde “worteling” die tot ontwikkelingsschade heeft geleid, kan dus enkel worden betrokken bij de beoordeling of aanspraken bestaan op een reguliere verblijfsvergunning en niet bij de beoordeling of dit aan het opleggen en uitvoeren van een terugkeerbesluit in de weg staat.
in casu de omstandigheid dat K en L zich hebben beroepen op hun „verwestering” de bevoegde autoriteit er dus toe had moeten brengen om krachtens artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 2, van het Handvest, te onderzoeken of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitvoering van het jegens hen uitgevaardigde terugkeerbesluit, en in voorkomend geval de verwijdering uit te stellen overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), van die richtlijn.”. De rechtbank overweegt dat het opmerkelijk is dat het Hof een inhoudelijke aanwijzing geeft in punt 42 over wat in de onderhavige procedure had moeten gebeuren door verweerder. Uit de overige overwegingen van het Hof volgt echter ook dat de autoriteiten die de Terugkeerrichtlijn ten uitvoer leggen, zich in elke fase van de terugkeerprocedure ervan moeten vergewissen dat het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd. Deze verplichting voor de autoriteiten is dus, zoals eerder overwogen, niet afhankelijk van het indienen van een asielaanvraag of van het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een voorgenomen feitelijke uitzetting, maar rust op de autoriteiten. Dit betekent dat het niet -alleen- aan eiseressen is om te onderbouwen dat zij een risico bij terugkeer lopen. Indien eiseressen dit stellen, dient verweerder deze stelling te beoordelen in het licht van de algemene informatie over het land van herkomst (of ander land van bestemming) en de andere aangedragen bewijsmiddelen en vervolgens te beoordelen of sprake is van een refoulementrisico.
die deze derdelander in voorkomend geval aanvoert, ervan te vergewissen dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat die derdelander bij terugkeer naar een derde land een reëel risico loopt in dat derde land te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen.
kónbetrekken bij de hernieuwde beoordeling.
Beslissing
- stelt eiseressen gedurende een termijn van vier weken in de gelegenheid om hun stelling dat zij zijn verwesterd en dit moet worden betrokken bij het beoordelen van het refoulementrisico te onderbouwen;
- zal verweerder in de gelegenheid stellen om te reageren op de door eiseressen aangedragen nadere onderbouwing;
- houdt iedere verdere beslissing aan.