ECLI:NL:RVS:2023:922
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onderzoeksplicht en proceskostenvergoeding bij Wob-verzoek inzake Ct-waarden COVID-19 testen
Appellant diende op 1 oktober 2020 een Wob-verzoek in bij de minister van VWS voor openbaarmaking van documenten over Ct-waarden en COVID-19 testen. De minister wees het verzoek af omdat de gevraagde informatie niet bij hem of het RIVM berust. Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen en het inhoudelijke besluit. De rechtbank oordeelde dat de minister ook bij andere onderdelen van het ministerie en laboratoria onderzoek had moeten doen en bepaalde een beperkte proceskostenvergoeding.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en betoogde dat zijn onderzoek mocht worden beperkt tot het RIVM, omdat het verzoek specifiek aan het RIVM was gericht en het ondoenlijk zou zijn om bij alle onderdelen navraag te doen. De Afdeling bevestigde dat de minister zijn onderzoek mocht beperken tot het RIVM, gelet op de aard van de informatie en de expertise van het RIVM. Verder oordeelde de Afdeling dat de laboratoria privaatrechtelijke partijen zijn en niet onder verantwoordelijkheid van de minister vallen, zodat geen onderzoek bij hen verplicht was.
Het incidenteel hoger beroep van appellant betrof een hogere proceskostenvergoeding wegens hoorzitting en zitting. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding toegekend had voor de hoorzitting en verhoogde de vergoeding. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het beroep tegen het besluit van 18 juni 2021 ongegrond is, het besluit van 5 november 2021 en het besluit van 2 februari 2022 worden vernietigd, en veroordeelde de minister tot vergoeding van diverse proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister en het incidenteel hoger beroep van appellant worden gegrond verklaard, het beroep tegen het besluit van 18 juni 2021 wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot uitgebreide proceskostenvergoedingen.