ECLI:NL:RVS:2023:95
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over schadevergoeding waardedaling woning door mijnbouwschade
Appellant kocht in 2003 samen met zijn ex-partner een woning waarvan zij elk 50% eigenaar waren. Na hun relatiebreuk in 2007 verbleef appellant alleen in de woning. Juridisch werd hij pas in december 2019 volledig eigenaar, nadat de woning via een notariële akte aan hem werd geleverd en ingeschreven in het Kadaster.
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen kende appellant een schadevergoeding toe voor 50% van de waardedaling van de woning over de periode van augustus 2012 tot januari 2019, gebaseerd op zijn juridische eigendom op de peildatum. Appellant vorderde in hoger beroep een vergoeding van 100%, stellende dat hij sinds 2007 economisch eigenaar was en het risico droeg.
De Afdeling oordeelt dat het Instituut bij de schadevergoeding uitgaat van de zakenrechtelijke positie, waarbij juridische eigendom doorslaggevend is. Appellant heeft onvoldoende aangetoond dat hij economisch eigenaar was in de relevante periode. De notariële akte van december 2019, met dwingende bewijskracht, bepaalt dat het risico op waardedaling toen pas volledig op appellant overging.
Verder is geen bewijs geleverd van cessie van de vordering van de ex-partner op het Instituut. De Afdeling bevestigt dat het Instituut geen beleidsruimte heeft om af te wijken van de juridische eigendom bij de vergoeding. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak bevestigd dat appellant recht heeft op 50% schadevergoeding waardedaling.