ECLI:NL:RVS:2024:2126
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- J. Schipper-Spanninga
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens verzwegen strafrechtelijk verleden en ongewenstverklaring
Appellant heeft Nederlanderschap verkregen na naturalisatie, maar dit is ingetrokken nadat bleek dat hij onder een andere identiteit met strafrechtelijk verleden en ongewenstverklaring in Nederland verbleef. De staatssecretaris stelde dat appellant relevante feiten had verzwegen bij de verblijfs- en naturalisatieprocedures.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de intrekking ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. Appellant voerde onder meer aan dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met het Unierechtelijke en nationaalrechtelijke evenredigheidsbeginsel, zijn privé- en familieleven, en dat de intrekking willekeurig was.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris een volledige en deugdelijke evenredigheidsbeoordeling had verricht, waarbij de ernst van de fraude, het strafrechtelijk verleden en de ongewenstverklaring zwaar wogen. De Raad verwierp het betoog dat de intrekking willekeurig was of disproportioneel, en bevestigde dat de intrekking geen strafrechtelijke sanctie is maar een bestuursrechtelijk middel om de gevolgen van frauduleus handelen te herstellen.
Verder werd geoordeeld dat appellant geen concrete belangen had aangetoond die het verlies van zijn Unieburgerschap onevenredig maken, en dat de belangen van zijn kinderen niet direct bij de intrekking betrokken hoeven te worden. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van het Nederlanderschap wegens verzwegen strafrechtelijk verleden en ongewenstverklaring.