ECLI:NL:RVS:2024:2251
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder bestuursdwang voor verwijderen vaartuig zonder vergunning in passantenhaven Leiden
Appellant verblijft sinds medio 2022 met zijn vaartuig in de passantenhaven van Leiden zonder vergunning. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 26 juli 2023 een last onder bestuursdwang opgelegd om het vaartuig te verwijderen en verwijderd te houden van niet-vergunde ligplaatsen, omdat dit in strijd is met artikel 3.4.1.1 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020 en artikel 5.1 van de Omgevingswet.
Appellant heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen deze last, stellende dat het college zijn verblijf feitelijk heeft gedoogd en dat handhaving onevenredig is omdat hij anders dakloos wordt. Ook voert hij aan dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat andere vaartuigen zonder vergunning permanent worden bewoond.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het college bevoegd is tot handhaving en dat er geen concreet zicht is op legalisatie vanwege lange wachttijden voor ligplaatsvergunningen. De betaling van energiekosten en liggeld door appellant betekent geen gedoogbeleid. Handhaving is niet onevenredig gelet op het algemeen belang en de mogelijke precedentwerking. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat andere vaartuigen wel vergund zijn en handhaving ook tegen hen zal worden ingezet.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat reeds in hoger beroep is beslist.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder bestuursdwang bevestigd.