ECLI:NL:RVS:2024:3705
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onrechtmatige bewaring vreemdeling wegens misbruik van recht
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 13 maart 2024 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval opheffing van de bewaring met schadevergoeding. De minister stelde hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de vreemdeling misbruik van recht heeft gemaakt door een aanvraag om toetsing aan het EU-recht in te dienen zonder de vereiste gegevens, met als doel kunstmatig procedureel rechtmatig verblijf te creëren en zo invrijheidsstelling te bewerkstelligen.
De Afdeling stelt vast dat het doel van de Unieregeling niet wordt bereikt, omdat de aanvraag geen verblijfsdoel, referent of onderbouwing bevatte. De vreemdeling heeft de Ghanese nationaliteit, verblijft sinds 2020 in de EU en heeft een terugkeerverplichting sinds 2022. De intentie van de vreemdeling om zijn vrijheidsontneming te beëindigen blijkt ook uit het tijdstip van de aanvraag en het ontbreken van noodzakelijke gegevens bij een gelijktijdige aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning.
De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep gegrond. De bewaring is rechtmatig opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard met afwijzing van schadevergoeding.